Arbocatalogus Infectiepreventie

De Arbocatalogus Infectiepreventie is nog niet goedgekeurd door de Inspectie SZW.

Naar boven

Inleiding

Biologische agentia is de verzamelterm voor micro-organismen (bacteriën, virussen, schimmels, parasieten en prionen) en producten van die micro-organismen, zoals
endo-, exo- en myco-toxines, die tot (ernstige) gezondheidsklachten kunnen leiden, zoals een allergische reactie of een toxisch effect.

Biologische agentia zijn overal aanwezig in het milieu, in de lucht en op en in de lichamen van alle levende organismen, zo ook de mens. Ze zijn essentieel voor ons bestaan, door de grote verscheidenheid aan biologische agentia bestaat er een natuurlijk evenwicht, waardoor agressievere biologische agentia, die potentieel ziekte kunnen veroorzaken zelden de gelegenheid krijgen tot onbeperkte groei. Daarom worden we over het algemeen niet ziek van biologische agentia.

In een ziekenhuis bestaat een andere situatie. In ziekenhuizen is er een concentratie van zieke mensen met vaak een verminderde weerstand, bij wie het natuurlijke evenwicht van de biologische agentia snel verstoord kan worden. Ook worden er mensen met diverse infectieziekten behandeld. Dit kan leiden tot blootstelling aan biologische agentia voor de werknemers van ziekenhuizen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen ongericht en gericht werken met biologische agentia. Bij ongerichte werken gaat het om risico’s die (onbedoeld) optreden. Bijvoorbeeld door het werken met patiënten of potentieel besmettelijke lichaamsmaterialen. Van gericht werken is sprake wanneer er gewerkt wordt met een geïdentificeerd risico, bijvoorbeeld in een laboratorium waar biologische agentia onderzocht worden.

Deze arbocatalogus beperkt zich tot ongericht werken met biologische agentia tijdens het werken in het ziekenhuis. Voor laboratoriumsituaties geldt deze arbocatalogus niet, evenmin voor het werken met genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s).

Naar boven

Het risico

Als een medewerker is blootgesteld aan een biologisch agens kan een besmetting ontstaan, die op korte of langere termijn tot een infectieziekte kan leiden. Het risico op ziekte is afhankelijk van de hoeveelheid en infectieuze potentie van het biologisch agens, de transmissieroute, omgevingsfactoren en het immuunsysteem van de geïnfecteerde (o.a immuniteit tegen het desbetreffende micro-organisme).

In het kader van deze arbocatalogus onderscheiden we 2 groepen medewerkers:

1. Risicolopers:
Dit zijn medewerkers, die  blootgesteld kunnen worden aan en eventueel besmet worden door (infectieuze) biologische agentia, afkomstig van patiënten, collega’s en bezoekers.

2. Risicovormers:
Dit zijn geïnfecteerde medewerkers, die  ongemerkt biologische agentia kunnen verspreiden en hierdoor collega’s (en buiten de scope van deze arbocatalogus uiteraard ook patiënten en bezoekers) besmetten.

Naar boven

Doelgroepen

De arbocatalogus Infectiepreventie is ontwikkeld voor iedereen die te werk gesteld is in een umc’s die in contact kunnen komen met (infectieuze) biologische agentia. Ook studenten en stagiaires behoren tot de doelgroep. Er is speciale aandacht voor kwetsbare groepen, zoals zwangeren, medewerkers met een verminderde weerstand en jongeren (<18 jaar).
In de infectiekaarten worden de doelgroepen en medisch kwetsbare groepen per infectieziekte nader gespecificeerd.

Naar boven

Wettelijk kader

De Europese richtlijnen vormen de basis voor de wetgeving in Nederland. Voor biologische agentia is dat de EG-richtlijn 2000/54/EG “Richtlijn betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan biologische agentia op het werk”.

Deze richtlijn is geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving in afdeling 9 en 10van hoofdstuk 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. De volgende artikelen zijn voor deze arbocatalogus van belang:

·         Nadere voorschriften risico-inventarisatie en –evaluatie (Artikel 4.85 Arbobesluit)

Indien een werknemer wordt of kan worden blootgesteld aan biologische agentia, wordt, in het kader van de in artikel 5 van de wet bedoelde risico-inventarisatie en evaluatie, de aard, de mate en de duur van de blootstelling beoordeeld teneinde het gevaar voor de werknemer te bepalen.

·         Voorkomen of beperken van blootstelling (Artikel 4.87a Arbobesluit)

Als blijkt dat er risico voor de veiligheid of gezondheid van de werknemers bestaat en dat het in verband met de aard van de arbeid niet uitvoerbaar is om biologische agentia te vervangen door biologische agentia die niet gevaarlijk zijn, worden, voor zover dit technisch uitvoerbaar is, zodanige andere maatregelen genomen dat blootstelling van werknemers aan biologische agentia wordt voorkomen en de risico's beperkt.

·         Hygiënische beschermingsmaatregelen (Artikel 4.89 Arbobesluit)

Op plaatsen waar gevaar bestaat voor blootstelling aan biologische agentia mag niet worden gerookt, gegeten en/of gedronken. Ook moeten nodige beschermingsmaatregelen worden getroffen zoals hygiënemaatregelen en persoonlijke beschermingsmiddelen.

·         Registratie (Artikel 4.90 Arbobesluit)

Indien werknemers kunnen worden blootgesteld aan biologische agentia van categorie 3 en 4 moet dit worden geregistreerd.

·         Arbeidsgezondheidskundig onderzoek en vaccins (Artikel 4.91 Arbobesluit)

Voor zover mogelijk wordt aan iedere werknemer, die nog niet immuun is voor de biologische agentia waaraan hij is of kan worden blootgesteld, doeltreffende vaccins ter beschikking gesteld. Elke werknemer die is of kan worden blootgesteld aan biologische agentia wordt in de gelegenheid gesteld bij aanvang van de arbeid een Preventief Medisch Onderzoek te ondergaan.

·         Melden incidenten en kennisgeving (art. 4.94 en 4.95 Arbobesluit)

Nederland heeft één landelijke toezichthouder op arbeid, de Arbeidsinspectie (inspectie SWZ).

De inspectie SWZ moet op de hoogte worden gesteld als er voor de eerste keer wordt gewerkt met biologische agentia van categorie 2, 3 en 4. Incidenten en ongevallen wat (mogelijk) heeft geleid tot het vrijkomen van biologische agentia van risicocategorie 3 en/of 4 moeten bij de inspectie SWZ worden gemeld.

 

·         Bijzondere bepalingen (Artikel 4.97 en 4.98 Arbobesluit)

Het nemen van doeltreffende maatregelen ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de betrokken werknemers i.v.m. de onzekerheid omtrent de aanwezigheid van biologische agentia in monsters en materiaal van patiënten. Dit heeft betrekking op desinfectieprocedures, afvalverwerking en het voorkomen van prikaccidenten. Voor prikaccidenten dient men een medisch hulpmiddel met ingebouwd veiligheids- en beschermingsmechanisme ter beschikking te stellen indien er gevaar is voor letsel of infectie door een scherp medisch hulpmiddel en er is een verbod op het terugzetten van doppen op injectienaalden.

·            Voorlichting en onderricht (Artikel 4.102 Arbobesluit)

Werknemers die tijdens het werk kunnen worden blootgesteld aan biologische agentia moeten voorlichting en onderricht ontvangen onder andere over de mogelijke gevaren voor de gezondheid, voorzorgsmaatregelen, en de te nemen beschermingsmiddelen.

·            Arbeidsverboden (Artikel 4.105 en 4.109 Arbobesluit)
Jeugdige werknemers (Het is een zwangere werknemer verboden arbeid te verrichten waarbij zij kan worden blootgesteld aan de biologische agentia Toxoplasma en Rubellavirus, tenzij is gebleken dat zij hiervoor immuun is.

·            Melden beroepsziekten (art. 9 Arbowet)

Indien een (infectie)ziekte (vermoedelijk) is opgelopen tijdens het werk of als gevolg van het werk, moet een bedrijfsarts dit melden bij het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB).

Naar boven

Ambitieniveau UMC’s

De umc’s streven naar een permanent en zoveel mogelijk uniform preventieprogramma om de blootstelling en de effecten van blootstelling aan (infectieuze) biologische agentia zo veel mogelijk te beperken. De infectiekaarten (bijlagen, die deel uitmaken van deze arbocatalogus) worden hiervoor als basis gebruikt.
Alle medewerkers van de umc’s (zoals beschreven in de doelgroep) zijn zich bewust van de risico’s van infectieuze biologische agentia, weten welke risico’s ze lopen en weten hoe ze de risico’s moeten beheersen.

Een medewerker kan dit op de volgende manieren nagaan:

  • de Risico-inventarisatie en –evaluatie (RI&E) van de afdeling en informatie op www.DokterHoe.nl
  • bekendheid met het beleid ter preventie van infecties binnen de umc’s door toegang tot protocollen/richtlijnen van de     ziekenhuishygiëne (bijv. m.b.t. isolatievoorschriften, hygiëne maatregelen e.d.)
  • inwerkprogramma met zo vaak als nodig herhaling van voorlichting
  • toegang tot arbodienst voor advies in geval van incidenten en individuele casuïstiek

Om patiëntveiligheid en bescherming van de medewerkers te optimaliseren is er een goede samenwerking tussen Infectiepreventiecommissie, de afdeling ziekenhuishygiëne en de Arbodienst van het umc.

Naar boven

Procesvoorschriften

Elk umc heeft een infectiepreventiebeleid ter bescherming van de doelgroep van deze arbocatalogus. Bij het opstellen en uitvoeren van dit beleid zijn de lokale infectiepreventiecommissie, afdeling ziekenhuishygiëne en de arbodienst betrokken. Het beleid is gebaseerd op de risico-inventarisatie en -evaluatie en de Biologische ArbeidsHygiënische beheersmaatregelen (BAH). In het beleid is minimaal aandacht voor:

  1. Bronmaatregelen:
    • weren van de bron (weren van de bron is lastig in een ziekenhuissetting).
    • bestrijden van de bron door desinfectie. Hiermee wordt bedoeld hugiënisch werken en goede schoonmaakprotocollen en beheersmaatregelen (zie hiervoor de WIP-richtlijnen). Zie ook professionele en persoonlijke hygiëne.
  2. Technische maatregelen, zoals:
    • gebruik van veilige naalden
    • (indien mogelijk) het afschermen van het infectieuze agens
    • afzuiging op de werkplek
    • luchtdrukverschillen tussen ruimtes creëren
  3. Organisatorische maatregelen, zoals:
    • het zoveel mogelijk scheiden van werknemersstromen en patiëntenstromen
    • inrichten schoon/vuil-zones
    • beperken aantal mmedewerkers op een bepaalde plek
    • voorlichting en instructie (en toezicht). zodat medewerkers op de hoogte zijn van de gezondheidsrisico's, de hygiëneprotocollen en beheersmaatregelen en wat te doen bij een incident.
  4. Hygiënische maatregelen (professioneel en persoonlijke hygiëne), zoals handenwassen en hoesthygiëne.
  5. Persoonlijke beschermingsmiddelen. Indien blootstelling op geen andere wijze voorkomen kan worden, dient
  6. de werkgever de  werknemer persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) aan te bieden. Belangrijk hierbij is dat dit beschikbaar stellen van PBM  vergezeld gaat met goede gebruikersinstructies en toezicht.
    6. Vaccinatie. Iemand die gevaccineerd is tegen een bepaald biologisch agens loopt minder risico hierdoor geïnfecteerd te  worden of een patiënt te besmetten met dit agens.
  7. Therapie bij  werk gerelateerde blootstelling aan een biologische agentia. Indien een werknemer onverhoopt is besmet of is  blootgesteld aan een schadelijke biologisch agens (of er sprake is van een significante kans op) dient de werknemer zo  spoedig mogelijk hiervoor behandeld te worden. Hieronder wordt ook begrepen: post expositie beleid bij accidenteel  bloedcontact (gebaseerd op de landelijke richtlijn hoe te handelen bij prik-, snij-, spat- en bijtincidenten).
  8. Apart beleid voor kwetsbare groepen.
  9. Periodiek medisch onderzoek, screening.

 

  • Elk UMC heeft een beleid zodat ten tijde van calamiteiten op gebied van infectieuze biologische agentia de organisatie opgeschaald kan worden.
  • Het UMC draagt er zorg voor dat met externe bedrijven afspraken worden gemaakt over de voorlichting en instructie van hun medewerkers (in doelgroep omschreven als contractanten) over het veilig werken met biologische agentia.
  • Elk umc evalueert iedere twee tot drie jaar het gevoerde beleid.
Naar boven

Middelvoorschriften

  • In alle umc’s is laagdrempelige informatie beschikbaar over het risico van blootstelling aan infectieuze biologische agentia. Dit kan via www.DokterHoe.nl (daar staan o.a. de infectiepreventiekaarten) of via het umc-intranet.
  • De door de werkgroep opgestelde infectiepreventiekaarten geven informatie over de desbetreffende infectieziekten en zijn de leidraad voor het beleid per infectieziekte. De opbouw van de infectiepreventiekaarten is als volgt:
  1. Beschrijving biologische agentia en ziektebeeld
  2. Besmettingsweg (verloopt besmetting bijvoorbeeld via de lucht, lichaamsvloeistoffen of via prikincidenten)
  3. Besmettelijke periode (hoelang is een eventuele bron besmettelijk voor anderen)
  4. Incubatietijd (als iemand besmet is, hoe lang duurt het dan dat hij anderen kan besmetten en klachten ontwikkeld)
  5. Risicolopers
  6. Medisch kwetsbare groepen
  7. Preventie (hierin kunnen de diverse aspecten van het BAH principe aan bod komen,  zoals weren van de bron, vaccinatie, technische, organisatorische en persoonlijke beheersmaatregelen)
  8. Post expositiebeleid (inclusief eventuele behandeling)
  9. Risicovormers (speciaal relevant voor de zorg en patiënt veiligheid)
  10. Werknemers werkzaam in een umc kunnen aan de hand van deze kaarten zelf informatie inwinnen over de desbetreffende infectieziekte
Naar boven

Literatuurlijst

Naar boven
Terug naar overzicht