Biologische agentia

1. Risico's

Biologische agentia zijn micro-organismen en hun genetisch gemodificeerde varianten. Deze kunnen onder meer infectie, allergie en intoxicatie veroorzaken. De risico’s zijn afhankelijk van de aard van de werkzaamheden, de voorzieningen in het laboratorium en de eigenschappen van de specifieke biologische agentia. Om de veiligheid en gezondheid van medewerkers te garanderen en om het milieu te beschermen, is het werken met biologische agentia aan strenge wettelijke eisen gebonden.

Naar boven

2. Welke agentia

Volgens de wet vallen onder de biologische agentia:

  • Bacteriën;
  • Virussen en viroïden;
  • Schimmels;
  • Gisten;
  • Endoparasieten;
  • Genetisch gemodificeerde varianten van de bovenstaande organismen (GGO’s).
Naar boven

3. Vier risicoklassen

Biologische agentia zijn geclassificeerd in 4 risicoklassen. De schadelijke effecten van het biologische agens op de gezondheid en de kans van optreden is voor deze indeling als maat genomen.

Klasse 1
Een agens waarvan het onwaarschijnlijk is dat het bij de mens een ziekte kan veroorzaken;

Klasse 2
Een agens dat bij de mens een ziekte kan veroorzaken en een gevaar voor de werknemers kan opleveren; het is onwaarschijnlijk dat het zich onder de bevolking verspreidt; er bestaat gewoonlijk een effectieve profylaxe of behandeling;

Klasse 3
Een agens dat bij de mens een ernstige ziekte kan veroorzaken en een groot gevaar voor de werknemers kan opleveren; er is een kans dat het zich onder de bevolking verspreidt, doch gewoonlijk bestaat er een effectieve profylaxe of behandeling;

Klasse 4
Een agens dat bij de mens een ernstige ziekte veroorzaakt en een groot gevaar voor de werknemers oplevert; er is een grote kans dat het zich onder de bevolking verspreidt; gewoonlijk bestaat er geen effectieve profylaxe of behandeling.


Naar boven

4. Risico's beperken

Blootstelling kan plaatsvinden bij het gericht werken met biologische agentia, zoals dat in het laboratorium gebeurt. Maar ook bij het niet gericht werken hiermee, zoals in de verzorging, schoonmaak en transport. De overdracht van ziekteverwekkende bacteriën (pathogenen) van patiënt naar hulpverlener kan plaatsvinden door:

  • Direct contact met besmette patiënten of materiaal;
  • Inhalatie van aerosolen: via praten, hoesten en niezen kunnen patiënten kleine druppels produceren die infectieuze agentia bevatten;
  • Bloedcontact: door prikongelukken, spatten van bloed op beschadigde huid of slijmvliezen, door krabben of beten van patiënten en door inhalatie van bloedaerosolen kunnen infecties overgedragen worden. Ook via verwondingen door botsplinters of door scherpe instrumenten bestaat een infectierisico;
  • Besmette injectienaalden, scalpels en andere scherpe voorwerpen: let erop dat deze voorwerpen niet in verkeerde afvalemmers terechtkomen of in de zakken van kleding blijven zitten, want ze kunnen verwondingen en infecties veroorzaken;
  • Meld een prikaccident altijd direct volgens de interne richtlijnen zodat eventueel een brononderzoek gedaan kan worden en eventuele profylaxe kan worden gestart.

Naar boven

5. Inrichtingseisen en werkvoorschriften

 

 

 

 

 

 

De inrichtingseisen en werkvoorschriften voor het werken met biologische agentia zijn gekoppeld aan de risicoklasse van het micro-organisme. Dit zijn de beheer niveaus die te vinden zijn in het Arbobesluit.

De inrichtingseisen en werkvoorschriften voor het werken met GGO’s:

  • Deze zijn vastgelegd in de Regeling GGO van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Ze zijn gekoppeld aan het inperkingniveau (het type microbiologisch laboratorium ML-I t/m ML-IV) waarbij de werkzaamheden moeten worden verricht. In de GGO-vergunning van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu is het inperkingniveau voor de werkzaamheden aangegeven. Daarbij kunnen aanvullende eisen worden gesteld aan de inrichting van de laboratoria. Tussen de beheer niveaus voor biologische agentia en de inperkingniveaus voor GGO’s zijn veel overeenkomsten;
  • Vanuit de gemeente, de milieudienst of de provincie moet een vergunning vanuit de Wet Milieubeheer zijn afgegeven voor alle ruimtes waar werkzaamheden met GGO’s worden verricht. Zonder een interne toestemming mag niet met GGO’s gewerkt worden. Informeer bij de biologische veiligheidsfunctionaris (BVF) voor de richtlijnen.

Naar boven

6. Vaccinatie

Een manier om specifieke risico’s te vermijden, is vaccinatie. Hierbij geldt het volgende:

  • Vaccinatie is bedoeld als aanvulling op andere maatregelen en komt nooit in de plaats hiervan;
  • De raad van bestuur als werkgever is verplicht vaccinatie tegen hepatitis B aan te bieden aan medewerkers in de risicogroepen;
  • Risicogroepen zijn medewerkers die de kans lopen om in contact te komen met besmet humaan materiaal. Naast artsen en verpleegkundigen zijn dat ook paramedici, laboratoriumpersoneel, transport-, schoonmaak- en ander facilitaire medewerkers;
  • Vaccinatie gebeurt op verzoek van of na instemming door betrokken medewerkers.

Naar boven

7. Scholing en voorlichting

Alle medewerkers die direct of indirect betrokken zijn bij werkzaamheden met (pathogene) biologische agentia, moeten een passende scholing hebben ontvangen en de juiste voorlichting krijgen. Hiervoor gelden de volgende minimumeisen:

  • Zorg dat ze getraind zijn in de toepassing van veilige microbiologische technieken en kennis hebben van de gebruikte biologische agentia. Dan zijn ze bekend met de mogelijke risico’s van biologische agentia en kunnen deze op hun betekenis inschatten;
  • Zorg dat ze getraind zijn in het juiste gebruik van inperkende voorzieningen, zoals veiligheidskabinetten;
  • Laat bij de voorlichting over het werken met biologische agentia in ieder geval de volgende aspecten aan de orde komen:
    - De mogelijke gevaren voor de gezondheid;
    - De voorzorgsmaatregelen om blootstelling te voorkomen;
    - De te ondernemen acties als zich een incident voordoet;
    - De bestaande hygiënische voorschriften;
    - Het dragen van werkkleding en het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen.

Het is van belang de informatie regelmatig aan te vullen of bij te stellen gezien de ontwikkelingen op het gebied van biologische agentia.

Naar boven

8. Arbeidsgezondheidskundig onderzoek

Voor bepaalde micro-organismen, zoals mycobacterium tuberculose, bestaat de mogelijkheid om besmettingen op te sporen via een arbeidsgezondheidskundig onderzoek. Overleg hierover met uw arboadviseur.

Naar boven

9. Verplichte registraties

Bij het werken met biologische agentia gelden enkele verplichte registraties. De verplichte meldingen aan de Arbeidsinspectie kunnen plaatsvinden met behulp van het registratiesysteem.

Aanwezige biologische agentia
U dient een register bij te (laten) houden van de aanwezige biologische agentia van categorie 2, 3 en 4 waar medewerkers aan kunnen worden blootgesteld. Vermeld hierbij:

  • Het type agens en de categorie-indeling (risicoklasse);
  • Informatie over de ziekten en de verschijnselen die medewerkers kunnen krijgen bij blootstelling aan deze agentia.

Risicogroep
Ook houdt u een register bij van medewerkers die gerichte arbeid aan biologische agentia categorie 3 en 4 verrichten. Dit register is ter inzage voor de arboadviseur. Het wordt tenminste 10 jaar na de laatste blootstelling bewaard. Bij de mogelijkheid van bepaalde (hardnekkige, latente, met lange incubatietermijn, terugkerende, met ernstige complicaties) infecties is de bewaartermijn 40 jaar na de laatste blootstelling. In dit register wordt vermeld:

  • De persoonsgegevens van de medewerker;
  • Het type werkzaamheden dat wordt verricht;
  • Aan welke biologische agentia mogelijk blootstelling heeft plaatsgevonden;
  • De blootstellingsperiode.

GGO-projecten
Daarnaast moet u ook een register (laten) bijhouden van alle GGO-projecten. Neem hierin op:

  • De vergunning (beschikking van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu/Bureau GGO);
  • Verantwoordelijk medewerker;
  • Lijst van projectmedewerkers;
  • Lijst van ruimtes waar het project wordt uitgevoerd;
  • Werkprocedures, anders dan die staan in de Regeling GGO;
  • Plattegronden met locaties van laboratoria en proefdierverblijven met de bijbehorende inperkingniveaus (ML-I, ML-II, ML-III, DM-I, DM-II, DM-III en D-I);
  • Opslaglocaties buiten de laboratoria en opslagregistratie per opslagfaciliteit.
Naar boven

10. Biologische veiligheidsfunctionaris (BVF)

Als er met GGO’s gewerkt gaat worden, moet de raad van bestuur als werkgever en vergunninghouder een biologische veiligheidsfunctionaris aanstellen. Deze ziet intern toe op navolging van de vergunningseisen.

De Arbeidsinspectie is de externe controlerende instantie als het gaat om het werken met biologische agentia. Zij schrijft de volgende regels voor:

  • Meld 30 dagen voor aanvang van de werkzaamheden wanneer voor het eerst gewerkt wordt met biologische agentia van klasse 2 en hoger. Meld het elke keer opnieuw wanneer gewerkt wordt met een nieuw organisme uit categorie 3 en 4. Het werken met een nieuw organisme van klasse 2 hoeft u niet te melden;
  • Verstrek voor aanvang van het werken met GGO’s een afschrift van de door de minister van Infrastructuur en Milieu verleende vergunning;
  • Microbiologisch diagnostische laboratoria hoeven slechts eenmaal te melden dat ze met biologische agentia gaan werken.

Meer informatie
Voor meer vragen over het werken met biologische agentia kunt u terecht bij de arboadviseur, de ziekenhuishygiënist of de biologische veiligheidsfunctionaris (BVF). Voor meer informatie over het werken met GGO’s kunt u terecht bij uw biologische veiligheidsfunctionaris.

Naar boven
Terug naar overzicht

Om deze content te kunnen bekijken is de Adobe Flash plugin vereist.